Voetbal algemeen wb

Published on januari 31st, 2006 | by arnold pannenborg

Globalisering leidt tot (on)gelijkheid

wbTransfers van spelers leidt tot meer kwaliteit in de Europese competities en grotere ongelijkheid tussen rijke en arme clubs aldaar, maar ook tot een afkalvende ongelijkheid tussen landenteams op toernooien als het WK. Dat blijkt uit onderzoek van Branko Milanovic, econoom van de Wereldbank.

In het artikel ‘Globalization and Goals: Does soccer show the way?’ toont Milanovic via algemeen economische modellen en wetmatigheden aan dat de huidige globaliseringsprocessen een grote invloed op de kwaliteit van het voetbal, wedstrijduitslagen en het algehele verloop van de competitie heeft.

De onderzoeker omschrijft de globalisering van voetbal als ‘de mogelijkheden voor spelers om zich vrijelijk te bewegen tussen clubs en landen’. De ongehinderde in- en uitstroom van Europese voetballers tussen Europese clubs onderling is mede mogelijk gemaakt dankzij het welbekende Bosman-arrest in 1995. Voetballers zijn arbeiders en Europese arbeiders mogen in elk Europees land zonder restricties aan het werk.

Quota
De limieten op spelers van buiten de Europese Unie beginnen langzamerhand ook af te brokkelen. In Spanje en Engeland zijn deze zogenaamde quota op non-Europese voetballers per team inmiddels geheel opgeheven. In de meeste andere landen ligt de grens op 4, 6 of meer spelers per team. De grote intocht van spelers uit de werelddelen Azië, Afrika en de Amerika’s kent nauwelijks grenzen meer.

Wat is nu het effect van deze globaliseringsverschijnselen op het voetbal binnen de EU en op wereldschaal? Milanovic onderzocht de relatie tussen deze vrije circulatie van ‘arbeid’ en de toenemende concentratie van voetbaltalenten in een klein aantal topclubs. Voorts keek hij naar de voetballerij op landenniveau waarin de FIFA de rol van geld en de handel en wandel van voetballers tot een absoluut minimum beperkt.

In beide gevallen maakt Milanovic gebruik van een economisch model dat hij vervolgens toetst aan de Italiaanse Serie A, de Europese Champions League, en het WK. Wie zeer wiskundig is aangelegd, kan hier kijken voor de specifieke berekeningen. Dan ga ik alvast naar de conclusies.

Elite
In de Europese Champions League zien we een toenemende dominantie van een beperkt aantal rijke elite-clubs (aangesloten bij de G-14, de 18 rijkste EU-clubs). In de jaren ’60 en ’70 bereikten 30 verschillende teams de kwartfinales (op een totaal van 40 clubs); tussen 1998 en 2003 slinkte het aantal clubs tot 22. In het kort: vroeger kon een kleine, onbekende club makkelijker doordringen tot de kwartfinales dan nu het geval is.

In de Italiaanse Serie A participeerden tussen de jaren ’60 en ’90 altijd drie tot vier clubs uit het armere zuiden van het land. In het jaar 2002 was er voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog geen vertegenwoordiger uit Zuidelijk Italië in de nationale league. Conclusie: rijke clubs domineren de competitie en de arme clubs vallen langzaamaan buiten de boot.

De redenatie is als volgt: rijke clubs kopen de beste spelers ter wereld op. Deze supervoetballers stimuleren, volgens economische wetten, de andere spelers in het team tot betere prestaties. Ronaldinho bijvoorbeeld brengt volgens deze theorie de selectie van Barcelona tot een aanzienlijk hoger niveau. Zo krijg je superteams met de beste spelers ter wereld. De superteams hebben de meeste supporters, de grootste stadions en verdelen de grootste en meest winstgevende prijzen (zoals de Champions League) onder elkaar. Rijke clubs worden dus rijker, kopen weer betere spelers op, winnen nog meer prijzen en worden nog rijker.

Inhaalrace
Grote talenten voor de toekomst, zoals de Nigeriaan Mikel en de Argentijn Messi, worden al op jonge leeftijd door respectievelijk Chelsea en Barcelona binnengehaald. Een eventuele inhaalrace voor armere clubs lijkt zo bezien al bij voorbaat kansloos. Kortom, de globalisering van voetbal leidt tot toenemende ongelijkheid en tot voorspelbare, en dus saaie, resultaten.

En dan is het nu tijd voor een lichtpuntje. Milanovic concludeert dat de grootschalige transfer van spelers naar topclubs gunstige effecten heeft op de geboortelanden van deze spelers. Eto’o, Essien, Martins en al die andere spelers nemen hun expertise mee naar hun nationale teams en daar profiteren de selecties en de gehele voetbalnaties volop van. De ‘leg-drain’, naar analogie van de ‘brain-drain’ van hoogopgeleid personeel uit arme landen, leidt weliswaar tot een armoedige lokale competitie, maar ook tot een verrijking van de nationale teams. Zo bezien houden de bushfallers de eer van hun land hoog.

Op het WK lijkt de ongelijkheid tussen de grote voetballanden en de kleintjes af te nemen. In de jaren ’70 en ’80 kregen kleine voetballanden geen kans tegen de dominerende machtsblokken Brazilië, Argentinië, Duitsland en Italië. De laatste vier WK’s wisten voorheen onbetekenende voetbalnaties, zoals Kameroen, Turkije en Zuid-Korea, door te dringen tot de kwart- danwel de halve finales van het toernooi. De spanning tijdens het WK is dankzij de globalisering van het voetbal groter dan ooit.

In Nederland is de laatste jaren een discussie gaande over de naturalisatie van buitenlandse spelers. Het bekendste voorbeeld is Salomon Kalou. Bondscoach Van Basten ziet ‘m als aanwinst voor Oranje tijdens het aankomende WK; minister Verdonk denkt daar anders over. Voor de toenemende gelijkheid en spanning in het internationale voetbal valt te hopen dat Kalou straks uitblinkt in het tenue van Ivoorkust.

Tags: , ,


About the Author



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

Back to Top ↑